You are here

Onze historie

Koninklijke Vopak is het grootste onafhankelijke tankopslagbedrijf van de wereld. Het concern kan zich beroepen op 400 jaar ervaring met opslag en overslag. Deze tijdlijn geeft een historisch overzicht van de ontwikkelingen en activiteiten van het bedrijf en zijn belangrijkste voorlopers: Blaauwhoedenveem, Pakhuismeesteren van de Thee, Van Ommeren en Pakhoed.

1461

Eerste vermelding Amsterdamse Waagdragers

1565 In de waagschaal

De Waag, Amsterdam. Gravure

De activiteiten van de oudste voorloper van Vopak, het Blaauwhoedenveem, speelden zich af rond de waag in Amsterdam.

De oudste waag stamde uit de veertiende eeuw, maar de hier afgebeelde waag opende in 1565 zijn deuren. Dit sierlijke, renaissancistische gebouw, dat was opgetrokken uit een blauwgrijze kalksteen, stond op de Dam in het hartje van de stad. Aan de voorgevel had de waag een dubbele trap die naar de bovenverdieping leidde. Aan de andere drie gevels was het pand voorzien van permanente luifels. Hier was de toegang tot zeven waagschalen, die aan zware balken hingen. Binnen stond een kleinere waagschaal, waar de meest waardevolle producten werden gewogen. De waagdragers, vaak verenigd in vemen als het Blaauwhoedenveem, vervoerden de goederen van en naar de waag. Aan de hand van gewicht en kwaliteit van de goederen bepaalde de waagmeester hier hoeveel waaggeld iemand verschuldigd was. Het gebouw bleef ruim twee eeuwen in gebruik. Collectie Koninklijke Vopak.

1602

Oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), ’s werelds eerste multinational

1616

In een gildebrief van 26 maart worden vemen voor het eerst genoemd. Later wordt deze datum aangenomen als oprichtingsdatum van het Blaauwhoedenveem

1616 De Blaauwhoeden

Bron: Koninklijke Vopak.

1617

Oudste bekende benoeming van Blaauwhoedenveem door Bredero in zijn blijspel De Spaansche Brabander

1617 Een behoudende schatting

Al zolang als er geschiedschrijving bestaat over Vopaks oudste voorloper – het Blaauwhoedenveem – wordt 26 maart 1616 aangehouden als oprichtingsdatum.

Het is echter onbekend in welk jaar het veem van start is gegaan. Vemen waren eenvoudige samenwerkingsverbanden tussen sjouwers in de Amsterdamse haven die geen administratie bijhielden, laat staan oprichtingsaktes. Het jaar 1616 wordt aangehouden omdat toen de stad Amsterdam een keur uitgaf waarin voor het eerst sprake was van vemen.

De eerste vermelding van het Blaauwhoedenveem volgde een jaar later. In 1617 publiceerde de Amsterdamse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaensz. Bredero zijn blijspel De Spaansche Brabander, waarin hij twee vemen opvoerde: de blaauwhoeden en de klapmutsen. Gesteld dat Bredero in 1617 vemen opvoerde die bij een breed publiek bekend waren, is het aannemelijk dat het Blaauwhoedenveem op dat moment al langere tijd bestond. 1616 als oprichtingsjaar lijkt dus een behoudende schatting. We zullen het waarschijnlijk nooit exact kunnen achterhalen, maar de kans is groot dat de voorgeschiedenis van Vopak zelfs teruggaat tot in de zestiende eeuw.

1667 De parel der kruiden

In de tweede helft van de zeventiende eeuw maakten Europeanen kennis met thee. Een van de grote importeurs van het uit China afkomstige kruid was, vanaf 1667, de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).

Aangezien de Chinezen geen buitenlandse handelaars toestonden in hun eigen havens, verliep de handel via Chinese tussenhandelaars op Java. In Europa kreeg thee de bijnaam ‘de parel der kruiden’ en artsen schreven het zelfs voor als medicijn tegen uiteenlopende kwalen. Het werd mode om thee te drinken en gegoede families richtten in hun huis een theekamer in. Tegen het eind van de eeuw werd thee beter betaalbaar en werden er theehuizen geopend waar ook gewone burgers een kopje thee konden nuttigen.

De handel in thee werd big business. Voor de VOC was het een van de belangrijkste en meest winstgevende producten. Tegelijkertijd was thee een heel teer product. Als het in aanraking kwam met andere (aromatische) goederen, konden de smaak en geur worden aangetast. Het was dus zaak de kwetsbare thee zo veel mogelijk af te zonderen. Een schip dat uitsluitend met thee werd beladen, was echter niet zwaar genoeg om stabiel te zijn. De oplossing hiervoor was om thee in combinatie te vervoeren met porselein, wat voldoende gewicht opleverde en geen geur of smaak afgaf.

In 1825 slaagde Philipp Franz von Siebold, thee-expert van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, er voor het eerst in om (Chinese) thee te laten groeien op Java. De echte doorbraak van thee van buiten China volgde na de ontdekking van de Britten van Assamthee in 1835. Deze thee bleek beter aan te sluiten bij de Europese smaak en werd vanaf 1873 ook door de Nederlanders op Java verbouwd. In de daaropvolgende decennia verdrong deze zogenoemde Javathee de Chinathee van de Nederlandse markt.

1717 De Heren van het Pakhuis

Het beheer en de organisatie van de pakhuizen van de VOC stonden onder toezicht van de Commissie van Commercie, ook wel de Heren van het Pakhuis genoemd.

Tot ongeveer 1717 schakelden zij nog regelmatig de hulp in van vemen om in drukke tijden bij te springen, maar daarna was de organisatiestructuur dusdanig uitgekristalliseerd dat de vemen een minder prominente rol gingen spelen. Voortaan hielden twee pakhuismeesters, vier boekhouders en twee hoofdklerken toezicht op de pakhuizen, waar 50 tot 150 loswerkers en garbuleurs, bewerkers van droge producten, werkten. De pakhuismeesters gaven leiding en waren verantwoordelijk voor de administratie van alle in- en uitgaande goederen.

Ook Josua van Eik, die een eeuw later Pakhuismeesteren van de Thee zou oprichten, begon zijn carrière als pakhuismeester bij de VOC. Bij de start van zijn eigen onderneming profiteerde hij optimaal van de kennis en reputatie van de VOC.

Zilveren troffel, Nieuwe Magazijn

1720

Zilveren troffel met inscriptie, gebruikt bij de eerste steenlegging van het Nieuwe Magazijn van de VOC in Amsterdam, 18 april 1720. Deze ceremoniële taak werd uitgevoerd door kinderen van de bewindhebbers van de VOC. Toen in 1818 Pakhuismeesteren van de Thee werd opgericht, maakte het ook gebruik van het Nieuwe Magazijn. Collectie Amsterdam Museum. Foto: Tom Croes.

1795

Bataafs-Franse tijd breekt aan.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden valt onder Franse invloedsfeer

1798

De VOC wordt opgeheven

Schilderij: portret van Filippus van Ommeren

1807 De start van een familiebedrijf

Schilderij: portret van Filippus van Ommeren

Filippus van Ommeren werd op 5 maart 1807 geboren in Rotterdam. Zodra hij oud genoeg was, ging hij in de leer bij zijn vader Jan van Ommeren, die cargadoor, scheepsmakelaar en agent was. In 1839 begon Filippus, die zich vanaf 1833 Philippus noemde, zijn eigen bedrijf: de firma Phs. van Ommeren.

In 1855 kwam Philippus’ 17-jarige zoon Philippus junior in het bedrijf werken. Senior hoopte dat zijn zoon het bedrijf uiteindelijk zou voortzetten, maar zag deze droom uiteenspatten toen junior in 1868 overleed aan de gevolgen van een longontsteking. Omdat zijn twee andere zoons al hadden gekozen voor andere carrières, vestigde Philippus zijn hoop op de verloofde van zijn dochter: Hermanus de Jongh. In 1871, kort nadat Hermanus trouwde met Gerda van Ommeren, werd hij aangesteld als vennoot.

In 1878 kwam er alsnog een Van Ommeren het bedrijf in: Philippus juniorzoon. Net als zijn vroeg overleden vader begon hij op 17-jarige leeftijd. In december 1884 werd hij naast Hermanus de Jongh aangesteld als firmant. Oprichter Philippus van Ommeren kon gerust zijn: de continuïteit van het familiebedrijf was gewaarborgd. Hij overleed op 27 juni 1888 op 81-jarige leeftijd. Geschilderd in 1939 door: Herman Mees.

1815

Het Koninkrijk der Nederlanden wordt opgericht onder leiding van koning Willem I

1816 Eindelijk de handen vrij

Officieel waren alle gildes met een grondwettelijke wijziging in 1798 afgeschaft. De beroepsorganisaties waren echter eeuwenlang zo geïntegreerd geweest in de samenleving, dat ze in de praktijk nog lang bleven bestaan.

Dit gold ook voor het waagdragersgilde, waartoe de vemen behoorden. Dat gilde verloor pas invloed met het vervallen van het waagrecht in 1816. De vemen bleven wel bestaan. Er waren er 22 die de Bataafs-Franse Tijd overleefden: de Blauw-, Rood-, Groen-, Wit-, Geel-, Zwart-, Purper-, Grauw-, Bont- en Strohoeden, de Klapmutsen, het Leidse veem, Engelse veem, Vriesse veem, Zeeuwse veem, Texelse veem, Schotse veem, Medemblikker veem, Haarlemmer veem, Waterasveem, Zwartasveem en het Zijdeveem.

Als een soort opvolger van het gilde werd de Coöperatie van de Werkers voor den Handel in het leven geroepen. De doorgaans eigenzinnige vemen hadden echter weinig behoefte aan een nieuw overkoepelend orgaan en permitteerden zich steeds meer vrijheden. Zo namen ze het financieel en personeelsbeleid in eigen beheer, met als gevolg dat ze beter georganiseerd raakten en konden groeien.

1818

Oprichting van Pakhuismeesteren van de Thee, zowel in Amsterdam als Rotterdam

Foto: oprichtingsakte Pakhuismeesteren 1818

De oprichtingsakte van Pakhuismeesteren van de Thee in Amsterdam, 15 januari 1818. Bovenaan prijken de namen van theemakelaars en commissarissen Voûte, Hageman en Frymersum en van pakhuismeesters en oprichters Nolthenius en Van Eik. Met het rode VOC zegel aan de linkerkant, benadrukten de pakhuismeesters hun achtergrond. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Foto: Tom Croes.

1828 Onverwachte concurrentie

In 1828 werd Pakhuismeesteren van de Koffij opgericht door koffiespecialist P. ten Cate en Josua van Eik jr., wiens vader oprichter was van Pakhuismeesteren van de Thee.

Door de familieband waren er zeer korte lijnen tussen het thee- en het koffieopslagbedrijf. In tegenstelling tot Pakhuismeesteren van de Thee was Pakhuismeesteren van de Koffij geen lang leven beschoren. Het bedrijf bleek te afhankelijk van één klant, namelijk de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), opgericht en deels gefinancierd door koning Willem I. Toen de NHM later het Rijks-Entrepotdok – een andere onderneming waarbij de koning persoonlijk financieel betrokken was – koos voor de opslag van koffie, betekende dat het einde van de onderneming.

Wat de situatie extra pijnlijk maakte, was dat de verwerking van de koffie in het Entrepotdok in handen kwam van een consortium van vemen dat onder leiding stond van het Blaauwhoedenveem. Dit was voor het eerst dat vemen, van veel eenvoudiger komaf dan de Pakhuismeesteren, zich manifesteerden als serieuze concurrenten. Daar kwam nog bij dat Pakhuismeesteren van de Koffij de blaauwhoeden in de voorafgaande jaren regelmatig hadden ingeschakeld als hulpkracht. Ze hadden dus onbedoeld hun eigen concurrent in het zadel geholpen.

1830

Nederland voert het cultuurstelsel in in Nederlands-Indië: de inheemse boeren worden verplicht bepaalde gewassen te verbouwen en een deel ervan af te staan voor export naar Nederland

1835

Aanvoer van de eerste Java-thee

1839

Oprichting van carga­doors­bedrijf Phs. van Ommeren door Philippus van Ommeren

Tekening: schip Van Ommeren Jos Spier

Het schip Philippus van Ommeren begint zijn reis te Rotterdam. Getekend in 1839 door: Jo Spier. Stadsarchief Rotterdam.

1850 Van alle markten thuis

Pakhuismeesteren van de Thee Amsterdam en Rotterdam waren twee gescheiden bedrijven, maar voeren lange tijd vrijwel dezelfde koers. Amsterdam was daarbij toonaangevend, aangezien dat het grotere bedrijf was. In januari 1850 verrasten zij hun Rotterdamse collega’s met het voornemen een nieuw bedrijf op te richten: Pakhuismeesteren van de Rijst.

De Amsterdamse pakhuismeesters vonden het erg belangrijk hun naam als theespecialist zuiver te houden, dus het opslaan van andere goederen deden ze liever onder een andere naam – zoals ze eerder ook met koffie hadden gedaan.

In Rotterdam, waar veel minder thee werd verhandeld dan in Amsterdam, hadden de pakhuismeesters hun opslagruimte sinds enkele jaren mondjesmaat ook beschikbaar gesteld voor andere goederen. Dit was hun goed bevallen, want ze hadden plannen om deze verbreding officieel te maken. De Amsterdamse plannen voor het rijstbedrijf werkten als een katalysator van dit Rotterdamse voornemen. Nog dezelfde dag als waarop ze deze vernamen, verstuurden zij een circulaire waarin zij het voornemen uitspraken ‘een dergelijk etablissement voor rijst en alle andere goederen’ te willen oprichten.

Uiteindelijk kwam Pakhuismeesteren van de Rijst in Amsterdam nooit van de grond, maar de Rotterdammers zetten hun plannen wel door. Officieel richtten zij naast Pakhuismeesteren van de Thee, een tweede bedrijf op dat alle andere goederen opsloeg, maar in de praktijk maakten ze geen onderscheid tussen de twee. Vanaf 1850 kwamen ze langzaam simpelweg bekend te staan als Pakhuismeesteren.

Tekening: Engel Pieter de Monchy, Foto: Salomon Jean René de Monchy Foto: Engel Pieter de Monchy

1851

De Rotterdamse familie De Monchy was generaties lang betrokken bij Pakhuismeesteren. Links Engel Pieter de Monchy (1793-1883), die vanaf de oprichting van Pakhuismeesteren van de Thee aan het hoofd stond van het Rotterdamse bedrijf. In het midden diens zoon Salomon Jean René (1824-1917), die zich van 1851 tot 1906 pakhuismeester mocht noemen en rechts Engel Pieter de Monchy (1854-1942), die de derde generatie vertegenwoordigt. De De Monchy’s bleven betrokken tot aan de fusie met Blaauwhoed in 1967. Collectie Koninklijke Vopak.

1855

Phs. van Ommeren brengt eerste zeilschip in de vaart

1857

Blaauwhoedenveem wordt een vof. Start van de professionalisering

De volwassenwording van het veembedrijf

Het Blaauwhoedenveem gold al heel lang als rijkste en grootste van de veembedrijven. Naar voorbeeld van Pakhuismeesteren van de Thee gaf het veem celen uit voor de goederen die het opsloeg: verhandelbare eigendomsbewijzen.

Blijkbaar hadden de blaauwhoeden hun administratie goed op orde en waren ze een betrouwbare partij, want in 1856 werden hun celen door de Nederlandsche Bank geaccrediteerd. Het was een buitengewoon belangrijke stap in de volwassenwording van het veembedrijf.

Een jaar later vervingen de blaauwhoeden hun coöperatieve vorm door een vennootschap onder firma. Onder aanvoering van bestuurders B. Lusink, H.J. Klyn en C.H.L. Klyn heette het veem vanaf 1 januari 1857 Blaauwhoedenveem (met dubbel ‘a’) onder firma Lusink, Klyn & Co. Een jaar later kreeg Blaauwhoedenveem, als leidende partij in een consortium met de roodhoeden en de klapmutsen, de opdracht voor de behandeling van de koffie van de Nederlandse Handel-Maatschappij, die voorheen ondergebracht was bij Pakhuismeesteren van de Koffij. Het veem bevestigde hiermee zijn nieuwe status als serieuze opslagpartij. In het kielzog van Blaauwhoedenveem maakte Vriesseveem, dat in 1861 een vof werd, een vergelijkbare ontwikkeling door. Samen met Blaauwhoedenveem zouden zij tientallen jaren richting geven aan de ontwikkelingen van de veembedrijven.

1858

Opheffing Pakhuismeesteren van de Koffij

1860

Aanvoer eerste terpentijn in Rotterdam, opgeslagen door Pakhuismeesteren

1862 Een brandbaar goedje

Op 30 juni 1862 kwam een Amerikaans schip de Rotterdamse haven binnenvaren. Dat gebeurde wel vaker, maar dit schip had een bijzondere lading: vaten petroleum.

Deze allereerste lading aardolie die in Rotterdam werd ingevoerd, werd opgeslagen door Vopaks voorloper Pakhuismeesteren. De eigenschappen en gevaren van dit nieuwe goed waren nog maar nauwelijks bekend, omdat pas enkele jaren eerder de eerste moderne olieboringen in Canada en Amerika hadden plaatsgevonden. Vandaar dat Pakhuismeesteren de vaten zonder verdere omhaal opsloeg in het Oost-Indisch Huis, een 150 jaar oud pakhuis aan de drukke Boompjeskade in het stadscentrum. Kort na de eerste vrachten petroleum, volgden vanuit Amerika onheilspellende verhalen over explosies met de brandbare grondstof. In overleg met het stadsbestuur ging Pakhuismeesteren daarom over tot nieuwbouw buiten de stad, aan de zuidzijde van de Maas. Hier verrezen in 1865 de eerste loodsen, speciaal voor de opslag van olie, die zich in anderhalve eeuw tijd zou ontwikkelen tot kernactiviteit van Vopak.

1865

Pakhuismeesteren neemt eerste petroleumetablissement op Feijenoord in gebruik

Kaart Feijenoord, 1865

1865

In 1865 breidt de gemeente Rotterdam uit met het eiland Feijenoord. Hier neemt Pakhuismeesteren het eerste petroleumetablissement in gebruik. Stadsarchief Rotterdam.

1867

Vriesseveem schaft eerste eigen pakhuizen aan

1869

Ingebruikname van het Suezkanaal

1870

Het cultuurstelsel wordt afgeschaft. De handel liberaliseert

1871

Vriesseveem komt naar Rotterdam

1872

Ingebruikname van de Nieuwe Waterweg, waardoor de Rotterdamse haven beter bereikbaar wordt

1874 Verdrongen door de stoomvaart

In de loop van de negentiende eeuw stond de zeilscheepvaart onder druk door de opkomende stoomscheepvaart. Toen zeilschepen in de jaren 1850 een opleving doormaakten, was dit voor Philippus van Ommeren aanleiding om zich in het redersvak te begeven.

Hij bracht in 1855 zijn eerste schip in de vaart: een brik genaamd Minerva. Om niet zelf het hele risico te dragen, zocht hij volgens het principe van de partenrederij verschillende financiers om deel te nemen in het schip – zoveel mogelijk bij familie en bekenden. Philippus trad op als boekhouder. Onder leiding van zijn halfbroer George Theodoor voer de Minerva op bestemmingen in Europa en Noord- en Zuid-Amerika. Wegens fluctuerende prijzen was het onzekere handel, maar desondanks wist Philippus zijn boekhouderschap gedurende de daaropvolgende jaren uit te bouwen met nog vier schepen.

Toch werd de rederij geen succes. Van Ommeren’s enigszins behoudende keuze voor zeilschepen werd in 1869 afgestraft door de opening van het Suezkanaal. Deze leidde de definitieve doorbraak in van stoomschepen, en daarmee het einde van zeilschepen. Philippus van Ommeren waagde zich niet aan een overstap op stoomschepen. Tussen 1872 en 1874 deed hij zijn vloot van de hand en trok zich terug uit de rederij.

1875

Pakhuismeesteren neemt de petroleumopslag in gebruik in Charlois, Rotterdam

Foto: petroleum opslag Sluisjesdijk

1875

Pakhuismeesteren neemt de petroleumopslag aan de Sluisjesdijk in gebruik. Collectie Koninklijke Vopak.

1876

Ingebruikname Noordzeekanaal

1876

Blaauwhoedenveem doet zijn eerste overname en slokt Roodhoedenveem op

1878 Rotterdam, de haven van de toekomst

Zeven jaar nadat concurrent Vriesseveem de stap maakte van de Amsterdamse haven naar Rotterdam, volgde Blaauwhoedenveem het voorbeeld. In 1878 opende het een klein kantoor aan de Scheepmakershaven.

De dagelijkse leiding van de Rotterdamse tak van Blaauwhoedenveem kwam in handen van J.C.A. Hol, de eerste leidinggevende in het bedrijf die niet op die positie was gekomen omwille van het aantal dienstjaren dat hij achter de rug had, maar vanwege zijn administratieve en leidinggevende kwaliteiten. Hol wist het Rotterdamse bedrijf binnen enkele jaren tot een succes te maken.

Hol had het tij mee, want de Rotterdamse haven was volop in ontwikkeling. Na de eeuwenlange dominantie van de Amsterdamse haven, was inmiddels wel duidelijk dat de toekomst voor Rotterdam was. Door de directe verbinding met de zee via de pas geopende Nieuwe Waterweg en de liberale, ondernemende stedelijke elite, aangevoerd door mannen als Marten Mees en Lodewijk Pincoffs, maakte de stad een ongekende groei door. In de jaren zeventig, tachtig en negentig werden aan de lopende band nieuwe havenuitbreidingen gerealiseerd. De groei was vooral gebaseerd op de functie van doorvoerhaven van massagoederen voor het zich krachtig industrialiserende Duitse achterland. Kolen, erts en olie, maar ook graan werden in grote hoeveelheden via Rotterdam verscheept. Hoewel dit geen producten waren waarmee de Amsterdamse vemen bekend waren, was er in Rotterdam toch een wereld voor hen te winnen. Al in 1883 verhuisde Blaauwhoedenveem naar een groter onderkomen in Feijenoord.

1886

De Amsterdamse en Rotterdamse vestigingen van Blaauwhoedenveem fuseren tot NV Blaauwhoedenveem

1887

Pakhuismeesteren Rotterdam bouwt eerste olietank te Charlois, Rotterdam

1888

De Chester is het eerste tankstoomschip dat afmeert bij de dat jaar opgeleverde petroleumtank van Pakhuismeesteren in Rotterdam

1891

NV Handelskade in Amsterdam wordt volledig overgenomen door Blaauwhoedenveem

Eerste stoomschip Van Ommeren

Via een bevriende Engelse reder maakte Philippus van Ommeren jrzn. in 1889 kennis met het concept van een single ship company.

Ondanks de slechte ervaringen van zijn grootvader zo’n twintig jaar eerder, besloot hij zich in de rederij te begeven. Dit leidde in 1891 tot de oprichting van de Maatschappij Stoomschip Dordrecht, een nv waarin hij naar Engels voorbeeld één schip onderbracht; een unicum in Nederland. De aandelen verkocht hij aan familieleden en bekenden uit Rotterdam, die hij de eerste jaren dividenden kon uitkeren van rond de 10 procent. De successen zetten Van Ommeren aan tot de oprichting van nog twee single ship companies, waarin hij de schepen Sliedrecht en Barendrecht onderbracht.

Na enkele jaren concludeerde Van Ommeren dat het inefficiënt was om ieder schip in een apart bedrijf onder te brengen. In 1898 vroeg en kreeg hij toestemming van zijn aandeelhouders voor de omzetting van Maatschappij Stoomschip Dordrecht in Stoomvaart Maatschappij De Maas. Dit was het definitieve begin van Van Ommeren als reder.

1895

In Rotterdam vervalt het formele verschil tussen Pakhuismeesteren van de Thee en de overige opslag

1896

Oprichting Nederlandsche Veem

1899

Oprichting van Stoomvaart Maatschappij De Maas door Philippus van Ommeren

Eerste aandeel Stoomvaart-Maatschappij De Maas

Het eerste aandeel Stoomvaart Maatschappij De Maas. Stadsarchief Rotterdam.

1903 Met dank aan Deterding

Henri Deterding, topman van Koninklijke Olie, wilde rond 1900 voet aan de grond krijgen in de Rotterdamse haven, om van daaruit een aanval te doen op de monopoliepositie van rivaal Standard Oil in Duitsland.

Mede door bemiddeling van zijn vriend Philippus van Ommeren jrzn. kreeg hij toestemming om in de Maasstad twee tanks en een destilleerderij te bouwen. Het vervoer van benzine van en naar Duitsland bracht hij onder bij Van Ommeren, dat daarmee de primeur in handen kreeg voor benzinetransport over de Rijn. De in 1903 opgeleverde binnenvaarttanker Rhenania van 744 ton, was het begin van Van Ommeren’s binnenvaartvloot.

De fusie van Koninklijke Olie met Shell tot Koninklijke/Shell in 1907 leverde Philippus van Ommeren fors meer werk op. Daarbij zag hij een tekort ontstaan aan tankopslag in Rotterdam. Hij was van mening dat het bedrijf hierin een grotere rol moest gaan vervullen, maar medefirmant Hermanus de Jongh had grote aarzelingen. Hierop besloot Philippus van Ommeren buiten het bedrijf om in de tankopslag te gaan. In 1910 richtte hij de Maatschappij tot Exploitatie van handelsterreinen Vlaardingen (Matex) op. Indirect stond zijn vriendschap met Henri Deterding dus niet alleen aan de basis van de binnenvaarttak van Van Ommeren, maar ook van de tankopslag.

1905

Vriesseveem heeft als eerste veem een koelpakhuis

1910

Philippus van Ommeren jrzn. richt tankopslagbedrijf Matex op in Vlaardingen

1913

Bouw graansilocomplex St. Job

St. Job Rotterdam

Blaauwhoedenveem verraste de grote concurrent Vriesseveem met de bouw van het enorme graansilocomplex en pakhuis St. Job in Rotterdam. Collectie Koninklijke Vopak.

1914

De Eerste Wereldoorlog breekt uit

1916 Katoenveem: dat smaakt naar meer

In een periode waarin de vemen elkaar in de Rotterdamse haven fel beconcurreerden, ging een aantal van hen ook een samenwerking aan.

Op 20 april 1916 werd nv Katoenveem opgericht door Blaauwhoedenveem, Handelsveem, Hollandsveem, Leydsche Veem, het Nederlandsche Veem, Vriesseveem en Pakhuismeesteren. Omwille van het voorkomen van branden oefenden verzekeraars middels hoge premies druk uit op het opslaan van katoen in aparte pakhuizen. Hierdoor was dit zo’n dure aangelegenheid geworden, dat de vemen geen andere weg zagen dan de krachten te bundelen.

Hoewel het huwelijk dus niet geboren was uit liefde, bleek de samenwerking sommige vemen goed te bevallen. Een jaar na de oprichting van Katoenveem kondigden Blaauwhoedenveem en Vriessemeem immers een fusie aan.

1917

Uit een fusie tussen Blaauwhoedenveem en Vriesseveem ontstaat Blaauwhoedenveem-Vriesseveem

1918

Einde van de Eerste Wereldoorlog

Foto: Bluefries, circa 1919

1919

Vanaf 1919 had Blaauwhoedenveem-Vriesseveem een dochterbedrijf in Amerika, Bluefries genaamd. Tot 1940 opereerde Bluefries vanuit New York City als scheepsagentuur en opslagbedrijf. Collectie Koninklijke Vopak.

1920Werken bij Blaauwhoedenveem, een impressie

Bron: EYE.

1928

Eerste buitenlandse terminal Van Ommeren: Zeematex in Zeebrugge, België

1929

Van Ommeren verkoopt de Matex aan de Bataafse Petroleum Maatschappij. Hij richt in december van datzelfde jaar de Nieuwe Matex op, gevestigd in Vlaardingen. Vier maanden later worden de tanks opgeleverd.

Van Ommeren gaat in tankopslag

Aangespoord door Henri Deterding, president-directeur van Koninklijke Olie, de voorloper van Koninklijke/Shell, stapte Philippus van Ommeren jrzn in 1910 in de tankopslag.

Zijn medefirmant Hermanus de Jongh voelde niets voor deze bedrijfsvreemde activiteit, dus richtte Van Ommeren de Maatschappij tot Exploitatie van handelsterreinen Vlaardingen (Matex) op met private middelen. Na enkele moeizame jaren werd Matex een succesvol bedrijf, mede dankzij de goede contacten met het groeiende Koninklijke/Shell.

In 1929 verkocht Philippus jrzn de Matex aan de Bataafse Petroleum Maatschappij (BPM), een dochter van Koninklijke/Shell. Voorwaarde was wel dat hij een nieuwe tankopslag mocht beginnen. Op 16 december nog hetzelfde jaar richtte hij de Nieuwe Matex op. De Nieuwe Matex sloeg aanvankelijk plantaardige oliën en vetten op, omdat BPM had bedongen dat dit bedrijf tot 1957 geen aardolie of afgeleide producten mocht opslaan. In 1942, toen Van Ommeren tachtig jaar oud was, verkocht hij zijn tankopslagbedrijf alsnog aan nv Van Ommeren’s Scheepvaartbedrijf.

1932

Verenigde Tankrederijen (VT) wordt opgericht. Dit is een joint venture tussen de Nieuwe Matex, Pakhuismeesteren, Tankmaatschappij Dipping and Phs. van Ommeren

1932Burgemeester mr. Droogleever Fortuyn over de opening van de Eerste Petroleumhaven

Bron: Beeld en Geluid.

1935

Pakhuismeesteren vestigt zich in Pernis, Rotterdam

1940

De Tweede Wereldoorlog breekt uit. Op 14 mei wordt Rotterdam gebombardeerd, waarna Nederland zich overgeeft

1942

De privéondernemingen van Philippus van Ommeren worden overgedaan aan Van Ommeren nv. Dit zijn onder meer VT, Imatex, Zeematex en Amatex

1944 Vernielzuchtige bezetters

Tweede Wereldoorlog, haven Rotterdam

In september 1944 heroverden de geallieerden de haven van Antwerpen op de Duitsers. Om een geallieerde opmars te stuiten, kwam vanuit Berlijn het bevel om haveninstallaties in Nederland te vernietigen.

Vanaf eind september 1944 brachten de Duitse bezetters talloze bommen in de Rotterdamse haven tot ontploffing en staken ze panden in brand. Er werd grote schade aangebracht aan kademuren, hijskranen, dokken, scheepswerven, loodsen en petroleumtanks. Op 1 oktober had Pakhuismeesteren slechts drie onbeschadigde tanks over. Ook pakhuis de Eersteling werd zwaar getroffen. Op 2 oktober ondergingen installaties van Shell en de Matex hetzelfde lot.

Installaties van de Matex in Amsterdam, de Amatex, doorstonden de vernielzucht van de Duitsers door een slimme zet van de bedrijfsleider. Hij had de tanks laten vullen met drinkwater, waarna de Duitsers ze ongemoeid lieten omdat het water te belangrijk was voor de eigen bevoorrading.

Op de foto: Een door de Duitsers vernielde installatie van Pakhuismeesteren in de Rotterdamse haven. Collectie Koninklijke Vopak.

1945

Het einde van de Tweede Wereldoorlog. De schade bij Blaauwhoedenveem-Vriesseveem, Pakhuismeesteren en Van Ommeren is groot. Installaties zijn vernield en de aanzienlijke vloot van Stoomvaart Maatschappij De Maas is grotendeels verloren gegaan. Tevens zijn er vele slachtoffers gevallen onder de medewerkers van deze bedrijven

1947

Fusie tussen Stoomvaart Maatschappij De Maas en Phs. van Ommeren Scheepvaartbedrijf

1954

Blaauwhoedenveem-Vriesseveem gaat verder als Blaauwhoed en start diversificatie. Naast veemwerk doet het bedrijf ook aan onroerend goed

Van veem naar vastgoed

Blaauwhoedenveem-Vriesseveem leunde van oudsher zwaar op de opslag van koloniale goederen. De stroom van deze producten droogde op tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, toen Indonesië onafhankelijk werd van Nederland.

Mede hierdoor kampte Blaauwhoedenveem-Vriesseveem aan het begin van de jaren vijftig met een lage bezettingsgraad in de Amsterdamse pakhuizen.

In plaats van enkele pakhuizen te verkopen, zoals voorheen gebruikelijk was bij dalende handelsvolumes, besloot de directie enkele pakhuizen te verbouwen en te verhuren als bedrijfsruimte aan kleine industrieën. Het was een radicaal nieuwe benadering, die bovendien een forse investering behoefde, maar desondanks gingen de commissarissen akkoord met het plan.

De koerswijziging bleek een schot in de roos. De investeringskosten van 150.000 gulden werden binnen korte tijd terugverdiend. In 1958 alleen al, leverde de verhuur van panden 195.000 gulden op. Aansluitend bij de verbreding van activiteiten veranderde Blaauwhoedenveem-Vriesseveem in 1954 van naam. Niet alleen was de nieuwe naam, Blaauwhoed, aanzienlijk korter, maar ook was het woord ‘veem’ eruit verdwenen. Voortaan richtte het bedrijf zich immers op méér dan alleen veemwerk.

1957

Blaauwhoed neemt een huidenkoelhuis in gebruik in Rotterdam

Twintig graden onder nul

Bron: Beeld en Geluid.

1957

Pakhuismeesteren neemt een nieuwe terminal in het Botlekgebied in gebruik. Twee jaar later volgt Van Ommeren met de opening van Matex Botlek.

1959

Pakhuismeesteren Rotterdam neemt Pakhuismeesteren van de Thee te Amsterdam over

1962

Blaauwhoed wordt een holding. De scheiding tussen Amsterdam en Rotterdam vervalt

Samen sterker

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de Amsterdamse en Rotterdamse vestigingen van Blaauwhoed zich tot twee bedrijven met eigen directeuren en commissarissen, die een eigen visie op de toekomst ontwikkelden.

Terwijl de Amsterdammers hun activiteiten verbreedden naar het vastgoed, zetten de Rotterdammers juist in op uitbreiding van de activiteiten in de snel groeiende Rotterdamse haven. De bedrijven kwamen steeds meer tegenover elkaar te staan, mede omdat de Amsterdammers zichzelf beschouwden als het moederbedrijf, waar de Rotterdammers zich maar naar hadden te schikken.

Rond 1960 ondernam Thomsen’s Havenbedrijf – veruit de grootste stuwadoor van Rotterdam – tot twee keer toe een poging om te fuseren met het Rotterdamse bedrijf van Blaauwhoed. Hoewel dit serieus in overweging werd genomen, ketste het toch af. De toenadering van Thomsen gaf de blaauwhoeden te denken. Ze kwamen tot de conclusie dat ze sterker stonden als ze zich beter zouden organiseren. Daarom voerden ze in 1962 een structuurwijziging door waarbij Blaauwhoed een holding werd. De werkmaatschappijen Blaauwhoedenveem-Amsterdam en Blaauwhoedenveem-Rotterdam, zoals de dochters in de respectievelijke steden voortaan heetten, behielden hun eigen directies, maar deze antwoordden voortaan beide aan de holdingdirectie, gezeteld in Amsterdam.

Foto Westerlaantoren, Rotterdam, circa 1964

1964

In 1964 opent Van Ommeren het nieuwe hoofdkantoor: de Westerlaantoren in Rotterdam. Stadsarchief Rotterdam.

1967

Pakhuismeesteren en Blaauwhoed (dat kort tevoren zijn naam veranderde in Blauwhoed) fuseren tot Pakhoed. In de voorafgaande jaren nemen ze allebei nog verschillende bedrijven over

1969

Pakhoed neemt nieuwe terminals in de Europoort in gebruik. Het betekent een verdubbeling van de tankcapaciteit tot dusver

1974

P.J. van Ommeren verlaat als laatste Van Ommeren het bedrijf

Foto: Deer Park, Houston

1976: Deer Park in Houston. Collectie Koninklijke Vopak.

1975

Pakhoed bouwt het aandeel in Onatra, een Frans wegtransportbedrijf, uit tot 100 procent. Dit wordt onderdeel van Paktrans

1975

Pakhoed opent een Terminal op Bonaire: BOPEC. Deze wordt in 1989 verkocht

1976

Pakhoed neemt Robertson Distribution Systems (RDS) over en verkrijgt hiermee de terminals Galena Park en Deer Park in Houston

1983

Pakhoed neemt luchtvrachtexpeditiebedrijf Pandair over. Dit onderdeel wordt in 1987 al weer afgestoten

Strijd om Singapore

Foto: Ceteco VOC AEX, Singapore

In 1980 startte Van Ommeren een onderzoek naar de mogelijkheden om een terminal te openen in Singapore, dat met zijn groeiende haven en strategische locatie zeer interessant leek.

De uitkomst was positief. De lokale havenautoriteiten waren geïnteresseerd in een samenwerking en het eilandje Pulau Sebarok, ten zuiden van Singapore, bleek een beschikbare en gunstige locatie. Van Ommeren opende op 31 augustus 1983 de eerste onafhankelijke olieterminal van Singapore, die op dat moment een volume had van 484.000 kubieke meter. Later werd hij uitgebreid naar ruim 1,2 miljoen kubieke meter.

Ondertussen probeerde ook Pakhoed in Singapore voet aan de grond te krijgen, maar zij waren te laat. Er was geen ruimte meer voor een terminal aan diep water. Daarop bedachten ze een creatieve oplossing: ze kochten een mammoettanker van 300.000 ton en lieten hem ombouwen tot drijvende opslag. Ze ankerden de tanker met aparte compartimenten voor gasolie, stookolie, benzine en andere producten, voor de kust van Singapore. Terwijl de tanker enkele jaren dienst deed als terminal, liet Pakhoed een eiland opspuiten, waarop uiteindelijk alsnog een eigen terminal van zo’n 500.000 kubieke meter werd neergezet.

Nadat de concurrenten in 1999 fuseerden tot Vopak, werd de terminal van Pakhoed, de kleinere van de twee, verkocht en behield Vopak de oorspronkelijke Van Ommeren-terminal.

Collectie Koninklijke Vopak.

1985

Pakhoed stoot onroerendgoedtak Blauwhoed af

1987

Van Ommeren gaat samen met Ceteco. Het bedrijf heet kortstondig VOC

VOC, geen gelukkig huwelijk

‘Ceteco’s aanzienlijke ervaring en substantie op handelsgebied, de goede winstgevendheid van haar aktiviteiten, alsmede haar human resources arsenaal, gekoppeld aan Van Ommeren’s financiële draagkracht en reeds opgedane handelservaringen, wordt door beide gezien als een sterke combinatie.’

Een fusie met handelsconcern Ceteco klonk de raad van commissarissen van Van Ommeren in 1987 als muziek in de oren. Dat een combinatie van de twee namen de afkorting VOC opleverde, een verwijzing naar het symbool van de Nederlandse Gouden Eeuw, was een mooie bijkomstigheid. Vol vertrouwen werd later dat jaar de fusie bekendgemaakt.

Al snel bleek het geen gelukkig huwelijk. De ‘snelle handelsjongens in mooie pakken’ van Ceteco en de ‘ordelijke, ernstig kijkende scheepsklerken’ van Van Ommeren, begrepen niets van elkaar. De integratie van twee totaal verschillende bedrijfsculturen verliep zeer moeizaam. Slechte resultaten in de handelssector deden de rest. De financiële wereld zag liever aparte, gespecialiseerde bedrijven dan een kolos zonder focus en oefende druk uit op verandering. Al in juni 1992 deed Van Ommeren zijn handelsactiviteiten van de hand. Het bedrijf ging weer verder onder zijn eigen naam en met de vertrouwde kernactiviteiten scheepvaart, binnenvaart en tankopslag.

Op de foto: De raad van bestuur van Van Ommeren Ceteco (VOC) opent de Amsterdam Exchange Index (AEX) ter gelegenheid van de beursgang van dit kersverse fusiebedrijf. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

1988

Pakhoed neemt Gebr. Broere over

1989

Val van de Muur

Het heeft de koningin behaagd

Op 25 mei 1989 vierde Van Ommeren, dat toentertijd met Ceteco was ondergebracht in fusiebedrijf VOC, zijn 150-jarig jubileum.

Als hoogtepunt van een galavoorstelling in de Rotterdamse Schouwburg verkreeg VOC het predicaat ‘Koninklijk’. Het werd uitgereikt door S. Patijn, de commissaris van de koningin van Zuid-Holland, aan ir. W.H. Brouwer, de toenmalige bestuursvoorzitter van VOC.

Twee jaar later mocht ook Pakhoed zich ‘Koninklijk’ noemen. Ter gelegenheid van de viering van het 375-jarig bestaan ontving directievoorzitter H.P. Crijns de officiële oorkonde uit handen van de Rotterdamse burgemeester Bram Peper.

Hoewel fusiebedrijven niet zonder meer aanspraak mogen maken op eerder verleende Koninklijke predicaten, mocht Vopak zich na 1999 toch Koninklijk blijven noemen.

1990

Pakhoed neemt Furness over

1990

Gereedkomen terminals van Pakhoed op eiland Pulau Busing te Singapore

1992

Ceteco wordt verkocht door Van Ommeren

1993

Pakhoed verkoopt containerterminal Unitcentre aan Europe Combined Terminals (ECT)

Unitcentre op Pier 6/7 in de Waalhaven. Foto: Dick Sellenraad. Collectie Koninklijke Vopak.

1993

Opening terminal door Pakhoed in voormalig Warschaupakt-lid Estland: Tallinn

1994

Eerste terminal in China van Van Ommeren: Ningbo

1996

Pakhoed bouwt aandeel in handelshuis Univar uit tot 100 procent

Nieuwe ingangen dankzij de chemie

Pakhoed verwierf in 1986 een aandeel van 35 procent in het Amerikaanse Univar en enkele jaren later 49 procent in de Europese tak van dat bedrijf. Toen in 1996 de overname volledig werd, maakte dat Pakhoed in een klap ’s werelds grootste chemische distributeur.

De acquisitie van Univar bracht grote voordelen. Pakhoed kreeg een andere relatie met bestaande klanten, die het nu ook bediende met Univar. Hierdoor zaten ze bij grote bedrijven als Exxon en Shell voortaan niet meer aan tafel met de verkoopafdeling maar met de bedrijfstop. Zodoende kreeg ook de tankopslag nieuwe impulsen.

Toen Pakhoed en Van Ommeren in 1999 fuseerden tot Vopak, besloten ze zich te concentreren op tankopslag en alle andere activiteiten af te stoten. Om deze reden nam het in 2002 afscheid van Univar, dat zelfstandig werd en nog steeds succesvol is.

1998Van onderlinge verschillen naar gebundelde krachten

Voordat Van Ommeren en Pakhoed in 1999 daadwerkelijk fuseerden, liepen eerdere fusiegesprekken op niets uit. Men was het erover eens dat het een logische zet was om de twee Rotterdamse bedrijven elkaar wereldwijd te laten versterken in plaats van te beconcurreren, maar kwam niet tot overeenstemming.

In de jaren negentig werden met grote regelmaat gesprekken gevoerd, maar vooral in 1998 kwam het zeer dicht bij een fusie. Doordat topmannen Van den Driest en Westdijk geen overeenstemming konden bereiken over welke terminal ze zouden afstoten om aan de mededingingseisen van Brussel te voldoen, liepen de gesprekken echter vast. Zo was althans de officiële lezing. Op de achtergrond speelde ook mee dat de havenmannen van Pakhoed en de reders van Van Ommeren vooral oog hadden voor de onderlinge verschillen in plaats van voor de overeenkomsten. Van Ommeren had het mislukte handelsavontuur met Ceteco nog vers in het geheugen en stond daarom sceptisch tegenover het chemische distributieonderdeel van Pakhoed. Andersom zag Pakhoed niet veel heil in de grillige scheepvaart van Van Ommeren.

Een jaar later kwam het alsnog tot een fusie, omdat beide kampen toekomst zagen in tankopslag. Mede op aandringen van wereldwijd opererende klanten, zetten Van Ommeren en Pakhoed hun verschillen opzij en bundelden zij hun krachten. Het resultaat is Koninklijke Vopak, ’s werelds grootste onafhankelijke tankopslagbedrijf.

1999

Van Ommeren opent terminal Fujairah (Verenigde Arabische Emiraten)

Openingsceremonie in Fujairah, 20 januari 1999. Collectie Koninklijke Vopak.

1999

Fusie Pakhoed en Van Ommeren tot Vopak

2002

Afsplitsing Univar. Nadruk Vopak komt op tankopslag te liggen.

2009 Onderdeel van de gasrotonde

De Gas Access To Europe (Gate) terminal in de Rotterdamse haven is de eerste LNG-terminal in Nederland. De terminal is opgericht door Gasunie en Vopak, die beide een belang van 50 procent hebben, en faciliteert de opslag van vloeibaar gas.

Hiermee spelen de bedrijven in op het Nederlandse en Europese energiebeleid, dat ervan uitgaat dat Nederland op termijn, als de eigen velden zijn uitgeput, gasimporteur zal worden. De bouw van de Gate terminal is een wezenlijk onderdeel van het streven van de Nederlandse overheid om de gasrotonde van Europa te worden.

In 2009 werd begonnen met de bouw van de terminal op de Maasvlakte, die op 23 september 2011 door koningin Beatrix werd geopend. De terminal heeft een opslagcapaciteit van twaalf miljard kubieke meter, verdeeld over drie tanks. In de toekomst kan een vierde terminal worden toegevoegd.

2011 Opening Gate terminal

Bron: Gate LNG terminal

2014

Ingebruikname Pengerang Independent Terminals te Maleisië

2016

400 jaar Vopak

Hoofdkantoor Vopak

Het hoofdkantoor van Vopak, gevestigd in Rotterdam. Collectie Koninklijke Vopak.

Concept, tekst en beeld: Stad en Bedrijf / Manifesta